Dichter in Opvelp

  • Home
    • Contact
  • Blog
  • Dichter in Opvelp
    • Dichter >
      • Recent geschreven
      • Watersuite
      • Woordensuite
      • Septiemen voor Opvelp
      • Suite voor Olivia
      • Suite voor Pauli
      • Porseleinsuite
      • Vilanova
      • La Croix de Fer
    • Woudloper
    • Boekbinden Boekherstel
  • Tentoonstellingen
    • Overzicht
    • Getoonde verzen of suites
​de limo terrae
(Genesis, 2:7)


... of hoe het groeide:
 
Klei is de presens historicus, de aarde die altijd heeft bestaan en waaruit al het leven. De klei van vandaag is deze van morgen en deze van gisteren. Vandaar dat klei voelt en herinnert. Het voelt het voorwerp dat het zal worden, het voorwerp in het verleden. In mijn kast staan de kopjes en schoteltjes van Rosenthal. Voorwerpen gebakken uit de witte kleiader van de gelijknamige vallei. Elk kopje herinnert zich de aarde, de witte aarde van Rosenthal, het kaolien. Het witte warme stof dat glinstert en zilvert en voelt als wit van het papier. Wit is vol verwachting en reikhalst naar ideeën en mogelijkheden. Wit is de kleur voor de woorden. De klei van Rosenthal of van welke kleiader waar dan ook is geduldig en wacht op de handen van de mens, de man of vrouw: de handen van de porseleinbakker en de handen van de dichter.

Ik steek mijn pink doorheen het oor van het kopje, laat het bengelen aan mijn hand tegen het licht van de rijzende zon en leg mijn oor te luister. Wanneer ik tik, houdt de klank aan als was het van een klokje. Het porselein zingt. Het porselein klinkt als muziek in het oor, vangt het licht van de ochtendzon en geeft het geheim prijs: de oefening op het geduld.

Met veel geduld wacht ik op de muze. Ik zal haar paaien, ik zal haar tarten. Maar eigenlijk weet ik dat ik gewoon zal wachten tot wanneer zij komt te zitten op de dorpel van de deur en op haar beurt zal wachten tot wanneer ik opendoe en haar binnen laat. Dan komen de woorden, als een vloed. Mooie vele woorden, het zijn mijn beelden die alles zeggen. Het potlood glijdt over het wit van het papier en de hand schrijft wat het lijf voelt en de geest meent. De handen glijden over het wit van de klei en vormen wat het lijf voelt en de geest meent. De dichter is de porseleinbakker is de dichter. Met wit en blauw, herinnering en geduld, aarzeling en twijfel is de weg bezaaid: de witte weg.

En op die wijze groeien mooie verzen of krijgt innemend kunstig porselein zijn vorm. Broos en breekbaar, soms in scherven: kwetsbaar  het woord en het porselein. Maar zo mooi. En het allermooiste de aarzeling.
De aarzeling wanneer je voor de hete oven staat waarin het porselein, klaar om eindelijk te kunnen koelen. Is dit dan het moment? Is dit het moment waarnaar je zo lang hebt gewerkt? Zalige aarzeling. De aarzeling wanneer ik voor het laatst het potlood glijden laat, het woord een laatste keer herschrijf, een laatste keer het overlees en vrede vind. Zalige aarzeling. Een tel, een fractie maar o zo zalig. De aarzeling voordat je als een verliefde een zoen in iemands hals drukt.

Dat is mijn benadering van de poëzie en het porselein, beiden product van geest en natuur, ars natura mensque. Ik schrijf dit dank zij Herman Hesse wiens boeken en gedichten ik vele jaren geleden heb leren kennen. Hesse inspireert opeenvolgende generaties. Tijdloos.

Wil ik gevonden worden of verlang ik naar de eenzaamheid? Het ligt volkomen in de handen van de kunstenaar. Hij omklemt de sleutel van de kast waarin hij zich heeft verstopt, wat maakt dat verstoppertje spelen niets anders is dan een porseleinen paradox.





P
O
R
S
E
L
E
I
N
S
U
I
T
E




PORSELEIN
 
Hoe zou het zijn te kijken
In ‘t wit en blauw van mooie ogen
Hoe zou het zijn te kijken
Naar hemel  boven het plateau
Naar wit van porselein uit Dresden
 
Zo komen een na een
Herinneringen langs mijn weg
Trage vingers aaien mijn beelden
En sluiten heel voorzichtig
De deur van de vitrinekast
 
Eens om de zoveel tijd
Neem ik het verleden bij de hand
En voel en kijk
In ’t wit en blauw
Van breekbare woorden
 
 
CRAQUELE
 
De kleur van hemel na de regen
Gevangen tussen groen en blauw
Caeledon van tsjonkende gouwe
 
’T is als knielen bij het papegaaizwammetje
En het zonlicht vangen
Door de hoed
 
Helder groen mateloos blauw
En fijn de craquelé
Alsof ik kijk in de palm van je hand
 
 
ROSENTHAL

Rijstpapier
Met het watermerk van Hahnemühle
Stuifsneeuw
Op de stelen van de berenklauw
Stuifsneeuw
Tegen het bevroren blauw van het plateau
Zilverreiger
Tussen de sneeuwoevers van de koude Velpe
Mistwolken
Uit het ochtenddal tussen de Perre de Culot
Boerenbrood
Op steen gebakken en gesmeerd
Varkensvet
Smeuïg smout gestold
Fleur de sel
Geschraapt van kleibassins  en van de zee geoogst
 
Uit de bodem van de aarde
Uit de ondraaglijke hitte van vuur
Porselein

 
KAOLIEN
 
Ik bewonder mateloos man of vrouw
Die zonder aarzelen
De chemische formule kan verwoorden
Al2Si2O5(OH)4
 
Wit bruinwit grijswit
Geelwit grijsgroen kortom gewoonweg wit
Met een hardheid van anderhalf tot twee
En haast drie gemiddeld dicht
 
Vind je de glans eerder maar dof
Erken dan de opaciteit
Perfect de splijting buiten kijf
Dit mineraal komt van de goden

 
EENLING
 
Ik kijk naar jouw handen
Met handschoenen van kaolien
Naar broze schalen in jouw schoot
Jij vraagt naar de oven of hij heet is
En kijkt bijwijlen angstig naar de krimp
Of het glazuur wil smelten
En de grijze kleikleur neigt naar wit
Jij bent
De kleibakker
De eenling
 
Jij kijkt naar mijn handen
Met potlood gom en heel veel woorden
En schriftjes van uit Dille en Kamille
Ik vraag naar het ritme of het goed is
En zijn de woorden wel mijn beelden
Kunnen zij doelloos reizen
En vinden zij een woonst
Ik ben
De dichter
De eenling

 
ESPRESSO
 
De wereld kent eb en vloed
Getijden
Gevoed door gevoelens
Veel verzandt
Hoopt zich op
Raakt verstopt en
Spoelt weer uit
Met springtij bij de volle maan
 
Van hoog en ver miauwt
De buizerd en volgt zijn vlucht
Ik zucht en wals de koffie
Espresso in een porseleinen kopje
 
  
MIJN VERLANGEN  IS TE GROOT
 
Mijn verlangen is te groot
Het zit mijn schrijven in de weg
De permanente onrust
Belemmering voor ’t schone woord
 
Mijn verlangen is te groot
Het breekt mijn porselein aan scherven
Het stuurt mijn handen waar
Zij niet horen te zijn
 
Mijn verlangen is te groot
Ik lang de ademloze muze
Ofschoon zij meestal aanklopt
Terwijl ik aan het fietsen ben
 
 
PIMPELMEES
 
Zij mengt en maalt en maalt
En  mengt en calcineert
Wolken melkkleurende klei
In de kneedtrog in de tuin
 
Hemels het blauw en
Veelbelovend het wit waartussen
De blik van de pimpelmees
De ruis van de vroege ochtendbries
 
Straks heet zij de oven
Staat zij alleen met het vuur
Het lange wachten
Het trage koelen
 
 
PARADOX
 
Hoeveel zakken varens zal ik branden
Voor een schamel kopje grijze as
Hoeveel scherven zal ik rapen
Alvorens ik tevreden zuchten zal
 
Eindelijk vind ik evenwicht
Als een kind in de kast verstopt
Tel ik traag tot tien en fluister
Voor mij uit: hij komt
 
Wil ik gevonden worden of
Verlang ik naar de eenzaamheid
Ik omklem de sleutel van de kast
De porseleinen paradox


KOFFIEMOLEN
 
Weer een ochtend met slierten zon
Die strepen trekt doorheen de keuken
Weer de zuidwester die steels
De bloembakken met erica beroert
 
Ik maal de bonen van Onan en
Zing hees het liedje van de molen
Straks roer ik een espresso
Zwart in een porseleinen kopje
 

Powered by Create your own unique website with customizable templates.